Van tram naar autobus:

moeilijker dan werd verwacht.

 

REGIO. Wanneer op 9 november 1961 de laatste tram vertrekt van station Leiden naar Den Haag en wanneer op 16 november al het trammateriaal verzameld is op het tramcrematorium bij Allemansgeest op de grens van Leiden en Voorschoten, dan hebben de vele heren, die ervoor doorgestudeerd hebben, al ontdekt dat het moeilijker is om met een autobus dan met een tram op tijd te rijden, voelen vele buspassagiers zich ingeblikt en missen hevig het veilige gevoel van een tram omdat een autobus behoorlijk slingerend zijn weg moet vinden te midden van de andere weggebruikers. De tram had steeds voorrang in het verkeer, ook daar waar de trambaan in de rijweg opgenomen was. De autobus is in 1961 nog een gewone verkeersdeelnemer en moet bij het uitrijden van de halteplaats alle verkeer voorrang verlenen. Dat zorgt niet alleen voor vertragingen, maar ook voor snel optrekken uit de halteplaats.

Achteraf bekeken is het vreemd dat in 1961 zo knullig gestart wordt met het autobusvervoer tussen Leiden en Den Haag, zowel via Voorschoten als via Wassenaar. Zowel de NZH-tramlijn Leiden-Voorschoten-Den Haag, als de HTM-tramlijn Leiden-Wassenaar-Den Haag hadden veel vrije baan, want ze gingen langs een zeer druk bereden route van het autoverkeer. Om toestemming te verkrijgen de tram te vervangen door de autobus, werden de vrijliggende trambanen om niet overgedragen aan de wegbeheerder in ruil voor het kosteloos gebruik maken van de autowegen.

Het vervangen van de tram was al bijna anderhalf jaar uitgesteld. Eerst moest het spoorviaduct bij de Lammenschans in Leiden gereed zijn om een nieuwe uitval- en toegangsweg via de Leidse wijk Tuinstadwijk en Voorschoten mogelijk te maken. Ook moest de tramremise aan de Rijnsburgerweg nabij het treinstation Leiden omgebouwd worden tot een grote autobusgarage. Deze twee zaken zorgden ervoor dat zowel de Blauwe als de Gele tram eerst in november 1961 opgeheven konden worden en niet al begin 1960.

Het leek allemaal zo eenvoudig. De autobus zou dezelfde route volgen als de tram en kreeg ook dezelfde bemanning. Een bestuurder met een rijbewijs en de vertrouwde conducteur. Op voortvarende wijze was een aantal trambestuurders en conducteurs omgevormd tot buschauffeur. Dat betrof veelal alleen de jongste garde. De ouderen voelden weinig voor de overgang en zo werd de autobusdienst gestart met in iedere bus een conducteur. Een tramconducteur met zeebenen kon zich wel steeds staande houden, maar dat kon de conducteur in de autobus niet altijd. Zo kwam er in de beginperiode menigmaal een conducteur op de schoot van een passagier terecht en dat bevorderde niet het kaartjes verkopen. Binnen een jaar waren alle conducteurs uit de autobus verdwenen en werd de chauffeur tevens kaartjesverkoper. Dat zorgde voor nog meer vertragingen. Na enige tijd werd ontdekt dat het aantal reizigers in de bus aanzienlijk lager was dan in de vroegere tram. Dat vond zijn oorzaak in de stormachtige groei van het particuliere autobezit in die jaren. Ruim 1/3 van de reizigers van het openbaar vervoer schafte zich een eigen blik aan en zo werden de autowegen nog drukker. Niet alleen door de vele autobussen, maar meer nog door de honderden particuliere auto's.

Daar werd wat aan gedaan door de vervoersmaatschappijen. De tramroute werd verlaten en de bussen gingen slingers maken door de woonwijken en dat zorgde weer voor een aanwas van het aantal passagiers. Inmiddels kwam de overheid de vervoersmaatschappijen tegemoet en bepaalde dat iedere lijndienst van de autobus voorrang verkreeg bij het verlaten van de halteplaats. Toen bleek dat die maatregel ook niet afdoende was, werd besloten tot aanleg van aparte busbanen op plekken waar regelmatig files ontstonden. Eerst nu, veertig jaar nadat de laatste tram verdween uit de regio Leiden, zijn de wegen overal passend gemaakt voor het autobusvervoer en zucht het stadsbestuur van Leiden wederom, want de tram verdween uit de Breestraat, maar nu zorgen de autobussen voor veel overlast en daarom wil het stadsbestuur weer heel erg graag een tram terug in de Breestraat.

Tot slot een ware gebeurtenis. De pastoor van de Laurentiuskerk in Voorschoten was gewend twee keer per week zijn zieke parochianen in het St. Elisabethziekenhuis te bezoeken. Toen nog gevestigd op de Hooigracht in Leiden. Bij de komst van de eerste autobus stapte de zeer zwaarlijvige pastoor in de bus en zocht een plaatsje. Hij vond die op een verhoogde tweezitsstoel boven de wielbak van de autobus. Bij de halte Korevaarstraat probeerde hij uit te stappen, maar hij zat klem. Met behulp van bestuurder en conducteur werd hij met veel moeite uit zijn benarde positie bevrijd. Hij kwam tenslotte gekneusd aan bij het ziekenhuis, waar hij na bemiddeling van de nonnetjes door een specialist onderzocht werd. Er was niets gebroken, maar wel gebroken was het vertrouwen van de pastoor in de NZH en hij ging in het vervolg per auto naar het ziekenhuis.

Joop Peeters.