IJzeren staven als spoor.
Door Joop Peeters.
Regio. Eeuwenlang was de mens voor zijn vervoer
grotendeels afhankelijk van zijn eigen kracht; te land droeg of reed hij zijn
lasten; te water diende zijn spierkracht hem als bron van voortbeweging. Het
was al een soort revolutie in de verplaatsingsmogelijkheden toen de mens
gebruik ging maken van het dier als trekkracht te land en van de wind op het
water.
Onze verre voorouders verplaatsten zich uitsluitend uit
nood. Het totale leven speelde zich af op ‚‚n plaats. Het is eigenlijk een
vreemde zaak dat het tot in de 19e eeuw moest duren voordat de mens de
verplaatsingsmogelijkheden ging moderniseren. Om slechts een voorbeeld te
noemen: Keizer Alexander de Grote en Keizer Napoleon verplaatsten hun legers op
dezelfde wijze. Natuurlijk is de allerbelangrijkste uitvinding geweest in de
verplaatsingsmogelijkheden het wiel, daarna twee wielen en tenslotte vier of
meer wielen en die richting te laten geven door twee evenwijdig aangelegde
ijzeren staven, waardoor de wielen het spoor van de staven moesten volgen.
Tot voor ruim honderd en vijftig jaar geleden had de
gemiddelde burger nauwelijks behoefte zich te verplaatsen. Slechts een kleine
bovenlaag van de bevolking -veelal adellijke of kerkelijke personen met een
bestuursfunctie- verplaatsten zich door middel van koetsen of dilligences of
gewoon te paard. Wat te denken van de Nederlandse patroon Willibrordus, die
tijdens zijn leven maar liefst te paard drie keer naar Rome heen en weer reed!
Met de opkomst van de steden werden de verplaatsingsmogelijkheden
noodzakelijker en binnen die steden kwamen draagstoelen en ook de steden
onderling konden elkaar niet altijd meer missen. De oudste geregelde verbinding
in Nederland tussen twee steden is die tussen Haarlem en Amsterdam. Per schip
en per dilligence. Wie per schip ging moest er wel op rekenen bij Halfweg een
stukje te voet te gaan, want de vaart liep niet door. Allengs kwamen er ook
elders in het land geregelde diensten door middel van beurtschepen. Het waren
veelal schepen ingericht voor het vervoer van goederen van platteland naar de
stad met een beperkte accommodatie voor personen.
Eerst de laatste honderd en vijftig jaar heeft het
verkeer en vervoer een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Niet in t minst door de geweldige uitvindingen in die
tijd, waaronder ijzeren staven als spoor, stoom en electriciteit hebben de
verplaatsingsmogelijkheden van de mens drastich veranderd en versneld. De stoom
heeft inmiddels moeten wijken voor de electriciteit en in de vervoersector
kreeg deze laatste een sterke concurrentie van benzine- en dieselmotoren, zker
toen de mens zich alleen durfde te gaan verplaatsen omdat de veiligheid op het
platteland dat toestond.
Nadat tussen 1839 en 1843 de IJzeren Paarden in ons land
begonnen te lopen (rijden), eerst tussen Amsterdam en Haarlem en daarna
doorgevoerd naar Leiden vond op 1 mei 1843 de opening van de lijn
Leiden-Voorschoten plaats en nadat een dwarsliggende ambachtsheer van
Voorschoten en Veur weggeschoven was, kon op 6 december van dat jaar de opening
plaats vinden van het spoor van Voorschoten naar Den Haag.
Er kwam toen al vrij snel een behoefte naar verbindingen
tussen de kernen van de steden en dorpen en dat werd een kleinere uitgave van
het IJzeren Paard en werd tram genoemd, de benaming die al in Engeland werd
gebruikt.
De eerste tram reed in Nederland op 23 juni 1864 een
proefrit tussen Den Haag en Scheveningen. Het was uiteraard een paardentram.
Eerst in 1882 wordt een begin gemaakt met een railverbinding tussen Leiden en
Den Haag via de kernen van Voorschoten, Veur en Voorburg. Het paard is dan
vervangen door stoom als bewegingsmiddel. Op 7 december 1882 wordt de route
Leiden-Voorschoten geopend. De stoomtram heeft als beginpunt de Zeevaartschool
aan het Noordeinde in Leiden, men wilde dat stinkende en puffende geval niet in
de binnenstad toelaten. De route van de stoomtram gaat via de Rijndijk (thans
Haagweg) naar de uitspanningen de Groote en de Oude Vink en bereikt de kern van
Voorschoten door middel van de Leidschestraatweg ( thans Leidseweg-Noord). Het
spoor ligt voor de onevennummering van de huizen. In de Achterweg (thans
Schoolstraat) is het voorlopige eindpunt. In 1883 wordt de stoomtram
doorgetrokken naar Veur, in 1884 naar Voorburg en tenslotte in 1885 op 20 juni
is de verbinding tussen Leiden- Den Haag (Schenkweg) gereed. Ook Den Haag wilde
de stoomtram niet in het centrum toelaten.
Volgens een dienstregeling van 15 juni 1815 rijdt de
eerste stoomtram dagelijks van 5.20 uur van Voorburg (remise) naar Leiden
(Noordeinde) en komt daar aan om 6.20 uur en vertrekt weer om 6.40 uur naar Den
Haag en komt dan eerst aan om 8.25 uur. Van Leiden naar Voorschoten is er een
reistijd van 37 minuten.
De stoomtram heeft wel vaste halteplaatsen, maar stopt
onderweg ook bij de uit- en inritten van boerderijen om volle en lege
melkbussen af te zetten en mee te nemen. De stoomtram is een combinatie van
goederen- en personenvervoer. De laatste stoomtram uit Leiden vertrekt
dagelijks in die tijd om 11.00 uur (23.00 uur) en rijdt dan tot aan Voorburg.
De stoomtram was in de beginjaren een prooi van mensen, die meenden daarmee
winst te kunnen maken en had ook nog de tegenvallers, welke veroorzaakt werden
door de Engelse spoorwijdte van 1,067 meter, welke zorgde voor vele
ontsporingen mede veroorzaakt door verzakkingen. De stoomtram werd gestart door
de IJssel Stoomtramweg Maatschappij en werd in 1891 overgedragen aan de MET
(Maatschappij tot Exploitatie van Tramwegen). Tenslotte kwam de lijn in handen
van de Hollandsche IJzerenspoorweg Maatschappij (HIJSM) en deze droeg in 1913
de stoomtram over aan de dochter, de NZHTM en zo zijn we weer bij de oorsprong
van de maatschappij, die eenmaal de legendarische Blauwe Tram op twee
evenwijdig gelegde ijzeren staven liet rijden.