De Stoommachine op spoorstaven.
Door Joop Peeters.
REGIO. Een van de belangrijkste uitvindingen in het
railvervoer is de stoomlocomotief als trekpaard. De stoommachine voorzien van
een onderstel met drijf-, loop- en draagassen met een losse of vaste tender
voor brandstof en water was een technisch wonder en een gevaarlijk monster
indien deze niet bemand werd met vakkundig geschoold personeel. Ruim honderd en
vijftig jaar het vervoermiddel dat niet te beconcurreren was zodra vervoer nodig
was voor grote hoeveelheden. De stoomlocomotief het trekpaard voor
massa-vervoer. Hoewel er al een halve eeuw lang geen enkele stoomlocomotief
meer te zien is op het Nederlandse spoorwegnet, tekenen jonge kinderen nog
steeds treintjes, die voortgetrokken worden door een stoomlocomotief. Nog
steeds worden op diverse plaatsen de nadering van een spoorwegovergang
aangegeven door een waarschuwingsbord met daarop de afbeelding van een
stoomlocomotief. De stoomlocomotief was niet alleen een zeer bewerkelijke krachtbron,
maar kon ook een snelheidsmonster zijn. In Amerika behaalden stoomlocomotieven
een snelheid van 200 kilometer per uur op de lange uitgestrekte spoorbanen
zonder gevaarlijke overgangen. Toch werd in januari 1958 door de NS het besluit
genomen de stoomlocomotief om economische redenen uit de roulatie te nemen en
het laatste exemplaar naar het Spoorwegmuseum te rijden. Opvallend was dat deze
maatregel genomen werd door een van de bekendste president-directeuren van de
NS, Dr. Ir. F.Q. den Hollander, die van mei 1916 tot oktober 1917 werkzaam was
bij de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij als leerling-bankwerker in de
Centrale Werkplaats te Haarlem en als leerling-machinist op het locomotiefdepot
Westerdok te Amsterdam. Den Hollander
was van 1947 tot en met eind 1958 president van de Nederlandse Spoorwegen en
had tot belangrijkste taak de wederopbouw van de spoorwegen na de Tweede
Wereldoorlog. Wekelijks stelde hij zijn treinreizigers op de hoogte van de
vorderingen via de radiorubriek 'De Spoorwegen
spreken'. Hij kende het materiaal, maar ook het menselijk kunnen om dat
materiaal te laten rijden. In zijn nagelaten geschriften beschrijft hij hoe het
treinpersoneel tot elkaar veroordeeld was. De machinist, de meester, was
afhankelijk van de stoker en die waren weer afhankelijk van de hoofdconducteur,
die toezicht moest houden op de conducteurs, de deuren smijters een kaartjes
knippers, en verantwoordelijk was voor het op tijd rijden. Maar ook belangrijk
was de nachtploeg, die in het depot zorgde dat de stoommachines gereed gemaakt
werden voor het gebruik. De familie Spoor was de grootste en meest hechte
familie in Nederland en vader Den Hollander werd op handen gedragen. Hij kon
begrip opbrengen voor de meester en zijn leerling, die door zware zijwind meer
kolen verbruikt hadden dan voorgeschreven was en voor de conducteur, die even
wachtte met het sluiten van de deur omdat er nog een gehaaste reiziger aan kwam
rennen, waardoor tenslotte de trein een vertraging van enkele minuten opliep.
De periode Den Hollander was de glorietijd van de NS.
In vergelijking met de tijd van Den Hollander is het al
maar bergafwaarts gegaan met de NS. Het spoorwegbedrijf werd onder andere een
speelbal van de politiek. Terwijl iedereen gelukkig was bij de tot stand komen
van de Nederlandse Spoorwegen, waardoor alle maatschappijen samengevoegd
werden, werd een aantal jaren geleden terug gevallen op verouderde zienswijzen.
Van ouds waren railbeheer en vervoer in ‚‚n hand, maar dat werd weer
gescheiden, want ook anderen dan de NS zouden gebruik moeten kunnen maken van
de spoorbaan. Dat zorgde in de omgeving van Leiden voor de Keukenhof-express en
het vervoer met een drankje en een krantje naar Amsterdam. Het duurde maar
even. Personen- en goederenvervoer werden gescheiden en voor iedere wiel op de
spoorstaaf moet de NS huur betalen aan Railinfrabeheer. Dat alles met slechts
‚‚n doel, het openbaar vervoer moet kostendekkend worden. Dat is het echter nog
nimmer geweest en in de poging te voldoen aan die politieke wens is het spoorwegbedrijf
overal bezuinigingen gaan toepassen. Duidelijk zichtbaar aan het materiaal dat
thans in Nederland op de spoorbanen rijdt. Afgedankte wagons uit Belgi‰,
Duitsland en Frankrijk. Te veel onderhoudsbezuinigingen op het rijdend
materiaal. Waardoor de uitval van treinstellen bij slechte weersomstandigheden
groot is. Daarnaast slechte communicatie tussen de diverse zelfstandige
eenheden. Wanneer het allemaal niet zo
droevig zou zijn, zou men kunnen lachen over de wisselbreuken, steeds dezelfde
wissel, in de lijn Leiden-Utrecht. Vier
keer een ontsporing van een werktrein, waarover de NS niets te zeggen heeft en
even zovele wisselbreuken, waarvan het type wissel niet voorradig bleek.
Toch zijn er nog steeds spoorwegmensen, die bereid zijn
hard te werken. Op dit moment staan de Kuilwielenbankdraaiers van het
onderhoudsbedrijf NedTrain onder hoogspanning. Zoek het woord
'Kuilwielenbankdraaiers' maar niet op in het bekende groene boekje der
Nederlandse Taal, maar ze bestaan toch echt. Het zijn de mannen en misschien
ook vrouwen, die in de werkplaats, waar een trein staat boven een werkkuil de
wielen weer prachtig rond moeten maken. Zij werken dag en nacht in de
kuilwielenbank en slijpen de wielbanden weer keurig rond, zodat binnenkort
treinen met vierkante wielen weer van de baan zijn.
Laten we met elkaar maar duimen dat de hogere overheid
weer tot het inzicht komt, dat een centrale directie over de spoorweg toch de
beste oplossing is om het openbaar vervoer per rail weer veilig, vlug en
voordelig te maken.
Voor de klagers over de NS een plaatje uit India, waar de
treinen, getrokken door stoomlocomotieven, meer dan overvol zijn en zwart
rijden gebruikelijk is.