De paardentram als stadsvervoer.

Door Joop Peeters.

 

REGIO. Omstreeks 1880 heeft de stad Leiden stoomtramverbindingen naar diverse plaatsen zoals Haarlem en Den Haag. De eindpunten zijn Rijnsburgerweg ter hoogte van het treinstation en het Noordeinde ter hoogte van de Zeevaartschool. Eindpunten die buiten het centrum van de stad liggen, want het gemeentebestuur wil geen grote en geen kleine op kolen gestookte vervoermiddelen in de bebouwde kom. Ook de spoorwegverbinding met Haarlem en Den Haag ligt buiten de bebouwde kom. In de stad vervoeren de bewoners zich met koetsen en vanaf 1879 kan dat ook per paardentram. De Leidse paardentram startte op 22 november 1879 met een lijn Station-Plantage en een lijn Station-Haarlemmerstraat. Deze laatste lijn bleek niet veel klanten te trekken en werd alweer opgeheven in 1884.

 

Leiden was de vijfde stad in Nederland, die een tramwegmaatschappij met paarden kreeg. Er moest heel wat afgepraat worden voordat de eerste tram kon rijden. Vooral de welgestelde burgers, maar ook de winkeliers waren tegen de aanleg. Met een trambaan voor de winkel zouden de klanten, die met eigen koetsen hun inkopen deden, niet meer voor de winkel kunnen parkeren en de welgestelden vonden een paardentram volkomen overbodig en het zou een grote werkloosheid veroorzaken onder de koetsiers. Het gemeentebestuur gaf tenslotte toch een vergunning af aan de Leidsche Tramway-Maatschappij (LTM). Maar de LTM kon het allemaal niet bolwerken en dat leidde tot liquidatie en op 16 april 1886 tot overdracht aan de Rotterdamsche Tramweg-Maatschappij (RTM).  Die tramwegmaatschappij, die ook buiten de stad Rotterdam al enige lijnen exploiteerde, pakte het allemaal groot aan. Door middel van advertenties werd meegedeeld, dat de dienstregeling en tarieven voorlopig niet zouden veranderen. Bij iedere conducteur, zo deelden de advertenties mee, zijn vanaf 18 dezer sectieboekjes verkrijgbaar, inhoudende 20 coupons tegen de prijs van 90 cts. Deze sectie-coupons zijn zowel geldig op de paardentram te Leiden als op de overige door de RTM ge‰xploiteerde lijnen. Over de geschiedenis van de paardentram in Leiden is weinig bekend, evenals bij de paardentram in andere steden zal ook de Leidse conducteur wel een dubbele functie vervuld hebben. Hij moest niet alleen kaartjes verkopen, maar af en toe ook nog met een schop en een emmer de paardenvijgen opruimen. In 1911 rijdt de paardentram de laatste ritten en gaat de exploitatie van de lijn Station-Plantage weer naar een andere maatschappij en dat is de NZHSTM, gevestigd in Haarlem met als belangrijke lijn de stoomtram tussen Haarlem en Leiden.

 

De Noord-Zuid-Hollandsche Stoomtram Maatschappij (NZHSTM) wordt in Hillegom op 2 juni 1880 opgericht en op 16 mei 1881 wordt het baanvak Hillegom-Leiden en op 16 juni Hillegom-Haarlem geopend. Al na vijf jaar wordt die maatschappij wegens gebrek aan geld ontbonden. De nieuwe eigenaar wordt de firma Broekman en Honders voor ene bedrag van F. 223.000,-- en mag tevens de oude naam overnemen met de toevoeging Haarlem-Leiden. Het gaat ook met die nieuwe NZH niet allemaal naar wens en op 1906 neemt de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM) het hele zaakje over en zo wordt de NZH een dochter van het grote spoor en krijgt tevens de exploitatie van alle tramlijnen in Noord-Holland. Zo werd de NZH de kern van het streekvervoer in beide Hollanden. De nieuwe aandeelhouders delen de NZH een electrificatietaak toe en veranderen de offici‰le naam in NZVTM, de S van stoom is dus verdwenen.Opvallend is dat de stamlijn van de NZH, Haarlem-Leiden, eerst pas in 1932 ge‰lektrificeerd wordt. In 1911, nadat de oude Blauwpoortsbrug vervangen wordt door een nieuwe, de huidige en het Kort Rapenburg overkluisd wordt met een betonnen plaat,  komt de eerste elektrische tram in Leiden te rijden op het baanvak Station-Rijndijk. De tram krijgt na enige jaren een mooie blauwe kleur en een serienummer 300. Deze stadtramwagens verzorgden tenslotte tot oktober 1960 de diensten op de lijn Oegstgeest-Rijndijk. Het was steeds slechts een enkele motorwagen op de enige stadslijn van de NZH in Leiden. De tweede stadslijn werd ge‰xploiteerd door de Haagsche Tramweg Maatschappij (HTM) en liep van het Station naar het eind van de Haarlemmerstraat. Dat was de oude stadslijn van de paardentram, welke in 1884 werd opgeheven en in 1924 weer heropend werd door de HTM.  De HTM wilde de lijn te zijner tijd doortrekken naar het toenmalige station Heerensingel, maar daar kwamen zoveel moeilijkheden bij kijken, zoals de te geringe hoogte van de Zijlpoort, dat die uitbreiding slechts een vrome wens bleef.

Beide stadslijnen hebben altijd een voorlopig einde gekend, want ook de NZH kwam niet over het water heen. Leiden kreeg eerst een behoorlijk stadsnet, toen de autobus ingeschakeld werd. Eerst was dat Van Ulden, daarna de ELTAX en toen de stadstram in 1969 verdween werd het gehele stadsnet gerund door de NZH.

 

Terwijl al in 1911 de eerste elektische tram in de stad Leiden rijdt, duurt het nog tot 1924 voordat een begin gemaakt wordt met de electrificatie van de tramverbinding Leiden-Voorschoten-Veur-Voorburg- Den Haag. Dat had ook alles te maken met een nieuwe route. De stoomtram reed via de huidige Haagweg naar de Vink en ging dan via de Leidseweg naar het dorp Voorschoten. Besloten werd tot de aanleg van een vrije baan dwars door de weilanden tussen Leiden en Voorschoten en bij de Korevaarstraat in Leiden sloot de baan dan aan op de stadslijn naar het Station Leiden. Er werd duidelijk gekozen voor snelheid en waar het mogelijk was werd een vrije baan aangelegd tussen de verschillende dorpen tussen Leiden en Dan Haag. Daarover volgende keer meer.