Gele en Blauwe rijden elkaar in de wielen.
REGIO. Ooit waren er kapitaalkrachtige mensen, die
meenden dat het railvervoer veel geld in hun bureaula zou brengen. Ze kwamen
allemaal bedrogen uit. Het was steeds kommer en kwel en met veel staatssubsidie
kon het grote spoor blijven rijden en dat grote spoor kocht weer de kleinere
spoortjes op en zo werd in deze regio het streekvervoer een dochtermaatschappij
van wat tegenwoordig de Nederlandse Spoorwegen genoemd wordt . Dochter NZH was
tenslotte een samenraapsel van 11 tot 12 trambedrijven, die niet allemaal
dezelfde spoorwijdte hadden en mede daardoor kon het gebeuren dat de stamlijn
van de NZH, Haarlem-Leiden, eerst in 1932 ge‰lektrificeerd werd en dat terwijl
al in 1911 zowel in Leiden als in Haarlem elektrische stadstrammen reden en in
1924 de interlokale lijn Leiden-Den Haag ge‰lektrificeerd was en op normaal
spoor reed. In dat jaar was de lijn Leiden-Den Haag en verder naar Scheveningen
de modernste tramlijn van Europa.
Bij de aanleg van de eerste spoorlijn Amsterdam-Haarlem
en later naar Rotterdam werd een baanvak gekozen buiten de bestaande centra van
de steden. Nadat de stoomtram vervangen werd door de elektrische tram en wel
door het centrum van steden mocht rijden, werd de tram gezien als het vervoer
dat reizigers voor het spoor naar het station moest brengen en daarom
probeerden zo rond 1920 de vele toen nog bestaande spoorwegmaatschappijen een
vinger in de pap te krijgen bij de trammaatschappijen. En dat gelukte wel en zo
kregen alle tramlijnen in deze regio als eind- en beginpunt het spoorwegstation
Leiden. Treinreizigers, die uitstapten bij station Leiden, behoefden slechts
weinige meters te lopen om een tramverbinding te hebben met Katwijk, Noordwijk,
Voorschoten enzovoorts en zo werd Leiden tenslotte een belangrijk
overstapstation. Terwijl de NZH vrijwel al het stadsvervoer regelde in Leiden
en in Haarlem, kreeg de NZH nooit vat op de stadslijnen van Amsterdam en Den
Haag. Die gemeentelijke bedrijven bleven zelfstandig. De NZH mocht wel zowel in
het centrum van Amsterdam en dat van Den Haag doorkruisen, maar daar bleef het
dan ook bij. De Blauwe werd in die steden geduld, maar diende steeds voorrang
te geven aan de stadstram.
Zoals de NZH de bijnaam De Blauwe kreeg, zo kreeg de
stadstram in Den Haag de bijnaam De Gele. De Gele zag al snel kans een
buitenlijn te verkrijgen naar Delft, maar die lijn zou alleen rendabel gemaakte
kunnen worden indien er nog een buitenlijn zou komen. Dat werd eerst een lijn
naar Wassenaar en uiteindelijk werd op 21 april 1920 door de toenmalige
minister toestemming verleend de lijn van Wassenaar door te trekken naar
Leiden. Op 16 mei 1925 was die lijn gereed met als eindpunt Rijnsburgerweg
(Posthof) in Leiden. Maar de HTM, de Gele, wilde meer, men wilde de stad in.
Toen begon een papierenstrijd tussen de Blauwe en de Gele. Volgens de Blauwe
reden er al te veel trams over de Steenstraat en de Stationsweg, daar konden
onmogelijk nog Gele trams tussen gevoegd worden en bovendien was de
Haarlemmerstraat veel te smal en was het te gek voor woorden dat die Gele op
het spoor van de paardentram zou kunnen rijden. Weer moest de hogere overheid
erbij gehaald worden en er werd bepaald dat de Gele een apart opstelspoor voor
de spoorbomen bij het Station aan de kant van de Rijnsburgerweg zou krijgen en
verplicht voorrang diende te geven aan alle Blauwe trams zodra de
spoorwegovergang gesloten was geweest. De winkeliers in de Haarlemmerstraat
zagen wel wat in de komst van een tram in hun straat en dus waren er geen
beletselen meer en reed tot 9 november 1961 de Gele door de bekendste
winkelstraat van Leiden en hoewel de directie van de HTM plannen had de lijn
door te trekken naar Alphen is het zover niet gekomen en bleef het eindpunt aan
het einde van de Haarlemmerstraat. Het bleef al die jaren in de
Haarlemmerstraat voor de Gele een route met veel hindernissen en de verwachte
toestroom van reizigers bleef uit. Zeker na de oorlog bood ‚‚n motorwagen voldoende
ruimte om alle reizigers op te vangen en werd de bijwagen bij de Posthof of bij
de Lus in Wassenaar afgekoppeld. De Gele verdween helemaal uit het Leidse
stadsbeeld, want na de opheffing van de tramlijn Den Haag-Wassenaar-Leiden werd
de lijn overgedaan aan de Blauwe, die van de tramlijn een autobus lijn maakte.
Toch heeft de Gele, die officieel nog steeds Haagse Tramweg Maatschappij (HTM)
genoemd wordt nog steeds plannen buiten de gemeentegrenzen van Den Haag te
treden. De laatst geopende buitenlijn is die naar Leidschendam-Noord en er zijn
zelfs plannen om die lijn door te trekken naar het station Voorschoten.
Terwijl rond 1950 en 1960 de tram als vervoermiddel
afgeschreven werd, beginnen tramverbindingen nu weer vorm te krijgen in de
gedachtewereld van mensen, die daarvoor doorgestudeerd hebben. Alleen het woord
tram is vervangen door lightrail. Opvallend is dat bij de komst van de
paardentram in 1879 vooral de winkeliers in de Breestraat bezwaar maakten,
thans de nazaten van die winkeliers dezelfde bezwaren hebben tegen de komst van
de lightrail. De geschiedenis herhaalt zich en zoals in 1879 de gemeenteraad
van Leiden een positief besluit nam ten aanzien van de paardentram, zo zal de
huidige Leidse gemeenteraad een besluit moeten nemen of er ooit nog een soort
moderne tram door de binnenstad zal rijden. Of het even romantisch zal worden
als tijdens het Blauwe tramtijdperk, is moeilijk te voorspellen. De omliggende gemeenten zoals Katwijk en
Voorschoten zien wel iets in een lightrail, die ter hoogte van het station
Lammenschans de grote spoorbaan verruild voor de woonstraten.
Voor de tramliefhebbers is onlangs verschenen het boek
"Toen de tram nog reed in Leiden.." door Ad van Kamp. Een boek vol
nostalgische herinneringen aan die trouwe Blauwe. Het is verkrijgbaar in de
boekhandel.