De Harmonicatram.(door Joop Peeters)

 

REGIO.  Hoewel het in 1930 financieel bezien behoorlijk kommer en kwel is bij de NZHTM, de Blauwe, verrast het bedrijf de reizigers met de aankoop van 10 stuks tweelingrijtuigen, voorzien van de nieuwste technische snufjes en zeer comfortabel voor de reizigers. Ze worden de nieuwe serie 600 en de nummering is A 601-620. De tien tramstellen, die ieder bestaan uit twee motorrijtuigen, worden in 1932 ingezet als vervanging van de stoomtramverbinding Haarlem-Leiden, zodat deze sterk verouderde tramverbinding in een klap de modernste lijnverbinding wordt.

Leiden moest maar afwachten wat voor trammateriaal er door de stad zou rijden, maar Haarlem had een grote invloed op de NZH, die in die stad de hoofdvestiging had. Als stadstram reed het zelfde type kleine motorwagen als in Leiden, daar was een enkele motorwagen voldoende, maar de stadslijnen in Haarlem moesten vanwege het grotere aanbod steeds met een bijwagen rijden. Die bijwagens stamden nog uit de tijd van de stoomtram. Die nieuwe aankoop van de serie 600 werd eerst gezien als vervanging van de stadstram in Haarlem en moesten dus voldoen aan de eisen van het Haarlemse gemeentebestuur, welke bepaalde dat de tramrijtuigen niet langer dan tien meter mochten zijn en dat het doorgangsrijtuigen behoorden te zijn, zodat voorkomen werd dat kwajongens op de bumpers tussen de wagens zouden gaan staan. Men ging kijken in Duisburg en daar reed het voorbeeld: twee door een vouwbalg verbonden motorrijtuigen op in totaal drie draaistellen. De draaistellen waren uitzonderlijk laag om de instaphoogte zo klein mogelijk te houden. Dat voorkwam opgehoogde tramhaltes in de binnenstad, die altijd voor het andere verkeer obstakel betekenden. Terwijl de normale diameter van een tramwiel 86 centimeter was, werd de diameter van een wiel van het voorste en de achterste 76 centimeter en die van het middelste draaistel maar 71 centimeter. Alle draaistellen van de serie 600 hadden een gedempte wielophanging, speciale smeerpotten en opklapbare baanruimers. Tegenwoordig zeggen we dat het een geluidsarm tramstel was. Door de constructie met behulp van stijlen uit profielijzer van slechts 3 millimeter dikte werd ook een belangrijke gewichtsbesparing verkregen. Inclusief motoren en elektrische installatie woog ieder tramstel 29 ton, zeg maar ongeveer de helft van het gewicht van de motorwagen van de zware Budapester van de serie 400. De in de buitenste draaistellen aangebrachte motoren hadden ieder een vermogen van 70 pk, waardoor zeer snel opgetrokken kon worden. De motoren moesten steeds twee-aan-twee in serie geschakeld blijven. Zodra ‚‚n motor een defect vertoonde betekende dat het gehele tramstel niet kon rijden. De vouwbalg tussen de twee rijtuigen kreeg al snel de naam harmonica en zoals iedere serie van de Blauwe een bijnaam had, kreeg deze nieuwe serie 600 de naam harmonicatram. De reizigersafdelingen waren niet door schotten van de balkons gescheiden, waardoor er een ruim interieur was, alle banken waren met bruin leder bekleed, zelfs de klapstoeltjes en de rijtuigen hadden een teakhouten betimmering en een zeer sterke interieurverlichting, waardoor de reizigers ook 's-avonds zonder de ogen te verknoeien konden lezen.

Omdat de poen op was, bleef het bij de aanschaf van die tien tweelingrijtuigen en werden de stadstrammen in Haarlem niet vervangen, maar werd in 1932 de serie 600 ingezet op de nieuwe elektrische lijnverbinding tussen Haarlem en Leiden.  Het aanbod van reizigers was regelmatig meer dan het aantal zitplaatsen in de rijtuigen en zo werden de oude, maar luxe stoomtrambijwagens van rond 1900 van de Gooische Tramweg, die voor sloopprijzen waren overgenomen, de vaste bijwagens van de serie 600 en kregen de nummering B 21 t/m 26 en die werden tenslotte weer aangevuld met de in 1930 gebouwde bijwagens van de Gooische Tramweg met de nummering B 11 t/m 16. Na de opheffing van de stamlijn van de Blauwe tussen Haarlem en Leiden werd de serie 600 ingezet op de lijn Katwijk/Noordwijk-Leiden-Den Haag. Daarmee kon een aantal veel onderhoud vergende zware en lichte Budapesters van de series 400 en 500 buiten bedrijf gesteld worden. Tot aan de opheffing in 1961 van de tramlijn Leiden-Den Haag vervoerde de harmonicatram de reizigers geriefelijk naar hun bestemmingen.                                                                                 Het was bij de Blauwe gebruikelijk dat de bemanning van een driewagenstel bestond uit de wagenvoerder en twee conducteurs. Iedere conducteur bediende zo anderhalve wagen. Bij de serie 600 kreeg de hoofdconducteur de bediening over twee wagons en de bijwagon was voor de tweede conducteur. De conducteur verkocht niet alleen de kaartjes, maar was ook een informatiebron en hulp bij het in- en uitstappen. Hij riep ook steeds de komende halte af. Bij de trams die veel schoolkinderen vervoerden was de conducteur tevens een soort opvoedkundige. Zowel de wagenvoerder als de conducteur waren verplicht altijd een pet te dragen ook in de zomermaanden. Een wagenvoerder mocht eerst vertrekken nadat hij de fluiten gehoord had van de twee conducteurs of de twee korte belletjes via een drukbel, welke door de reizigers gebruikt werd om aan te geven dat er bij de eerstkomende halte uitgestapt zou worden.  Hier een waar gebeurd voorval. De schooltram van Voorschoten naar Leiden stopt bij de halte Lammenschansbrug in het niemandsland tussen die twee plaatsen. De conducteur van de laatste wagon steekt zijn hoofd buiten de deur en de wind gaat aan de haal met zijn pet. De conducteur rent zijn hoofddeksel achterna en een schooljongen zegt tot zijn maatjes: 'Durf ik het niet?' Hij durft het wel en geeft met de drukbel het conducteursteken aan de wagenvoerder. Die heeft geen zicht op de laatste wagon en de tram vertrekt en laat de conducteur in de kou staan.