De conducteur was eenmaal de spil in het openbaar vervoer.(door Joop Peeters)

 

REGIO. Tot aan de zestiger jaren van de vorige eeuw was de conducteur de belangrijkste man op de tram. Hij was de vertegenwoordiger van de vervoersmaatschappij en had tot taak de passagier bij te staan zowel bij het in- als uitstappen, daarnaast moest hij de ritkaarten verkopen, tijdig de komende halte afroepen, wissel omgooien en bijwagens aankoppelen.. Een man van gewicht en daaraan werden hoge eisen gesteld.

Over de positie van het personeel bij de Paarden- en Stoomtrammaatschappijen is de beste informatie te halen uit de uitgave van 'De Locomotief' van 1882. Daarin worden de arbeidsvoorwaarden beschreven, die van kracht waren bij de Arnhemse Tramweg-Maatschappij en ten voorbeeld stonden van de andere tramwegmaatschappijen. Het is een heel lange verhandeling met daarin tot in alle details de voorschriften voor het personeel:

'De koetsiers en conducteurs moeten zijn personen van middelbaren leeftijd, voorzien van goede getuigenis en van een bewijs der politie, waarbij hun toestemming wordt verleend voor het bestuur resp. den dienst van tramwagens. Zij moeten bij hun aanstelling op het kantoor der maatschappij deponeren een spaarbankboekje, waaruit blijkt van eene storting ten bedrage van minstens F. 50,-- resp. F. 100,-- en eene verklaring teekenen, waarbij de directie gemachtigd wordt dit bedrag verbeurd te verklaren en als haar wettig eigendom te beschouwen, indien de bepalingen in die verklaring voorkomende, niet worden nageleefd. De koetsiers en conducteurs worden aangesteld op een weekloon van F. 10,--. Zij ontvangen in bruikleen een jas, een pet, een overjas (de koetsiers ook een regenjas) en een nummerplaat. Zij moeten de kleeding zindelijk houden en er steeds netjes uitzien. Schaden ontstaan aan kleedingstukken en gereedschappen moeten de beambten voor eigen rekening doen herstellen.'

De arbeidsvoorwaarden, die thans als ongelofelijk voorkomen, werden zonder meer geaccepteerd. Men had het er graag voor over om 5 of 10 weken loon eerst zelf bij elkaar te sparen om daarna in dienst te kunnen treden. De conducteur moest F. 100,-- betalen omdat hij wel eens door een rekenfout de vervoersmaatschappij zou kunnen benadelen. In die tijd bestond een weekdag uit 10 tot 11 uur en dan moet daarbij ook nog rekening gehouden worden de tijdsduur van de koetsier en de conducteur om hun tram schoon te houden. Iedere dag moest de tramwagen gewassen worden en precies het aantal passagiers, de kaartverkoop en de tolafdrachten genoteerd worden. Bij de paardentram was er ook nog een hele waslijst aan verstrekkingen voor de trekdieren. De gemiddelde dagtaak vergde ongeveer 14 uur. Toch had geen enkele trammaatschappij te klagen over gebrek aan personeel. De conducteur op de treinen en trams in die jaren moesten soms halsbrekende toeren verrichten om hun functie te vervullen. Geen enkele wagon had een binnendoorgang en voor de conducteur was er een lange treeplank langs de wagon gemaakt met handgrepen aan de bovenkant van de wagon. Met name bij de treinen gebeurde het nog al eens dat er conducteurs van de trein vielen. De stoomlocomotieven konden leeg een snelheid halen van 60 km per uur en met passagiers was de snelheid ongeveer 30 km per uur.

Een tramstel zonder conducteur was ondenkbaar, want de conducteur moest ook de wissels bedienen en behulpzaam zijn bij het rangeren aan het begin- en eindpunt. Een tramconducteur was gedurende de rit steeds actief. Bij de Blauwe tram was er steeds ‚‚n conducteur per anderhalve wagon en dat betekende dat tijdens de rit een conducteur af en toe via de stootblokken overstapte naar een andere wagon ter voorkoming dat een passagier zonder geldig plaatsbewijs zou rijden. De NZH had vele controleurs in dienst en die controleerden de conducteur en ook de bestuurder. Wanneer een tramstel vijf minuten later bij een halteplaats aankwam, dan werd vermeld in de dienstregeling, moest de bestuurder de oorzaak van die vertraging op kunnen geven, zoals wachten voor gesloten spoorbomen of voor een open brug. Wanneer de controleur een passagier ontdekte zonder plaatsbewijs, dan betekende dat voor de conducteur een negatieve aantekening en wanneer dat enige keren was voorgevallen, dan werd er gekort op het loon. De conducteurs op de Leidse stadstram kregen soms ook nog te maken met studentenjool. De motorwagen van de stadstram was voorzien van een sleepbeugel. Door middel van een touw trok de conducteur bij het eindpunt de sleepbeugel steeds in de juiste stand. Omdat het touw, waarmee de sleepbeugel in de juiste stand gezet werd aan de achterkant van de motorwagen werd vastgezet, was het voor studenten, die hun soosgebouw op de Breestraat hadden, een sport tijdens hun talrijke feesten in dat gebouw om de beugel van de tram omlaag te halen door aan het touw te trekken, waardoor de tram stroomloos tot stil stand kwam. Hoewel de directie van de NZH regelmatig klaagde over deze vorm van vandalisme, werd er nimmer streng opgetreden, want veelal waren de burgemeester en de hoofdcommissaris van politie ook eenmaal student geweest en bovendien brachten de studenten geld in de stad, want studenten waren tot in de vijftiger jaren van de vorige eeuw allemaal kinderen met heel rijke ouders. Aan die ellende van beugeltje trekken, kwam eerst een einde bij de opheffing van de Haarlemse stadstram en die toen overbodige stadstrams gingen de Leidse stadstrams vervangen en waren voorzien van een schaarbeugel. De techniek zorgde ervoor dat veel conducteurswerk 'automatisch' verricht werd zoals wissels omgooien en voorgedrukte rittenkaarten. Bij de komst van de autobussen in deze regio waren er in de beginperiode nog wel conducteurs, maar die werden al heel snel omgevormd tot chauffeurs of gewoon de laan uitgestuurd vanwege hun leeftijd. Vergeten werd toen dat de conducteur ook steeds een ordehandhaver was geweest en zo kregen de vervoersmaatschappijen te maken met vandalisme en geweld in de tramstellen en autobussen en thans ziet het er naar uit dat de conducteur, veelal als controleur weer terugkomt op de stadstrammen van Den Haag, Amsterdam en Rotterdam. De trampassagier blijkt minder eerlijk te zijn en ook minder braaf dan werd gedacht in de zestiger jaren van de vorige eeuw. Zwart rijden was tot die tijd vrijwel onmogelijk.  Eenmaal wilde ieder jongetje graag wanneer hij groot was, tramconducteur worden. Die tijd komt nooit weerom!

Joop Peeters.