Over Soldaten, Veteranen en de dienstplicht. Even Omkijken door Joop Peeters .

Veteranen zijn veelal dienstplichtige soldaten, die door de regering zijn uitgezonden naar oorlogsgebieden om daar te vechten of om strijdende partijen te scheiden en de burgers aldaar te beschermen. Soldaten, die hun diensttijd volbracht hebben binnen de Nederlandse grenzen of in kazernes in Duitsland en Frankrijk, krijgen niet de status van veteraan. Wie eenmaal de hitte van de strijd gekend heeft, die vergeet zijn kameraden nooit en komt veelal één keer per jaar bijeen om na te praten en de kameraden die vielen te herdenken.

Vrijdag 29 juni is de landelijke veteranendag en het gemeentebestuur haakt daarop in door de Voorschotense veteranen in het Cultureel Centrum te ontvangen. Dat betekent een grote omslag in het beleid van de gemeente Voorschoten. Tijdens de vorige raadsperiode werd door de VVD-fractie, toen nog de grootste fractie, bepaald dat er op gemeentegrond absoluut geen herdenkingsmonument of iets dergelijks mocht worden opgericht voor de gesneuvelde Voorschotenaren tijdens de politionele actie in voormalig Nederlands Indië. Alleen het CDA bood weerstand tegen de VVD. Gelukkig kwam de Nederlands Hervormde Gemeente de veteranen te hulp en bood ruimte aan voor een herdenkingsplaat op de buitenmuur van de Dorpskerk, aan het kerkhofzijde. Dat is namelijk geen openbaar maar kerkelijk terrein. En al drie jaar wordt er nu tijdens de Dodenherdenking eerst eer betoond aan de drie gesneuvelde Indiëgangers voordat men bijeenkomt bij het Oorlogsmonument naast het gemeentehuis. Het is nog steeds een groot raadsel hoe Voorschoten toen die historische miskleun kon maken. VVD-burgemeester Cannegieter had zelf al een tekst laten ontwerpen, die in de vorm van een langwerpige steen voor het monument gelegd kon worden. Ook VVD-burgemeester Verver zag geen kans een meerderheid te krijgen voor het veteranenmonument en nu wil blijkbaar VVD-burgemeester Staatsen het allemaal een beetje goed maken en nodigt de nog levende veteranen uit voor een plezierige na-praat bijeenkomst. Honderden Voorschotenaren, veelal als dienstplichtigen en een klein aantal als vrijwilliger, zijn van 1946 tot 1949 naar het voormalige Nederlands Indië gestuurd om daar tijdens politionele acties de Indiërs te bestrijden, die voor een vrij en onafhankelijk Eilandenrijk waren. Dat gebeurde tijdens het Rooms-Rode Kabinet Beel-Drees. In die tijd vond de meerderheid van het Nederlandse volk het nog normaal een grote koloniale mogendheid te zijn ten koste van de vrijheid van andere mensen. Jaren later werden ook Nederlandse militairen gezonden naar Korea , Libanon en de Balkan. Die soldaten mogen zich allemaal veteraan noemen. Gelukkig is er bij al die hulpverleningen nimmer een Voorschotenaar gesneuveld. Ik heb zelf een zoon, die zich veteraan mag noemen vanwege zijn uitzending naar Libanon, als dienstplichtige. Mijn andere zoon heeft weliswaar begin jaren tachtig de communisten anderhalf jaar tegen gehouden in de Duitse Laagvlakte, ook als dienstplichtige, maar dat heeft hem behalve een extra sterretje op zijn schouder geen enkel aanzien opgeleverd. Zelf was ik dienstplichtig van de lichting 1948 bij de Luchtdoelartillerie. Die konden ze niet gebruiken in Indië, want daar waren alleen grondgevechten. Toch heb ik eenmaal hare Majesteit koningin Juliana moeten beschermen in Amsterdam. Ik zat op de kaderschool in Breda en werd aangewezen om in de bewapende erehaag te gaan staan op de Dam tijdens de inhuldiging van Juliana als vorstin in de Nieuwe Kerk. De hele erehaag bestond uit dienstplichigen, die bewapend waren met een geweer, waar niet mee geschoten kon worden. De patroontassen waren gevuld met klinkers en de meeste soldaten waren nog nooit op een schietbaan geweest en konden alleen netjes marcheren en het ondeugdelijke geweer presenteren. Een van de voordelen van het staan in de erehaag was dat de fourier je uniform bekeek en zo nodig verving voor een beter passend exemplaar.

Ieder geoefend soldaat werd direct naar Indië getransporteerd , met uitzondering van kader en officieren van de luchtdoel en zo waren er in Nederland alleen nog maar ’biggen’ oftewel ongeoefende soldaten. In 1948 droegen we wel de rokken van de Koningin, maar het waren allemaal afdragertjes uit het Engelse leger. Een kamergenoot had een uniform met ter hoogte van zijn hart een gaatje. Hij was daar blij mee, want wanneer het weer oorlog zou worden, dan had hij statistisch bezien de meeste kans tot overleven. Het was nog droevig gesteld in 1948 met het Nederlandse leger. De luchtdoel had in heel Nederland maar 6 kanonnen (4tl’s) waarmee geschoten kon worden. Die stonden in Ermelo aan de kust van het IJsselmeer en iedere batterij kreeg één keer per jaar de kans echt te vuren met munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Er werd dan geoefend op een sleepzak achter een sportvliegtuigje. Regelmatig moest het schieten onderbroken worden omdat het ingevoerde projectiel niet deugde en de ontsteking eerst na enige minuten deed waarvoor het was gemaakt. Omdat ik niet meer militair omgeschoold kon worden, werd ik overgeplaatst naar de Oranje Nassaukazerne in Amsterdam, waar ik bevorderd werd tot instructeur van de Nationale reserve. Ik heb daar een fantastische tijd meegemaakt. Een jaar lang een bren uit- en inelkaar zetten of een kanon dat niet schieten kon alsmaar schietklaar maken. Ik mocht pas de dienst uit toen mijn klasgenoten terug kwamen uit Indië. Toch zou ik die soldatentijd nooit hebben willen missen.